Meer over Taal in Spel

Meer over taal en spel

Wil je meer weten? Op deze pagina vind je allerlei aanvullende informatie die je kunnen helpen bij het werken aan spel- en taaldoelen

 

  • Spelmateriaal 
  • Begeleidingsrollen in spel 
  • Klassenmanagement
  • Aandachtspunten
  • Observatierollen in spel
  • Eenvoudige en complexe taaldenkfuncties

Spelmateriaal*.
Het materiaal in een hoek bepaalt sterk hoe kinderen ermee kunnen gaan spelen en hoe het kan helpen om taal uit te lokken. Hou rekening met deze punten:

  • Zorg voor uitdagend materiaal in de hoek. Valkuilen: teveel materiaal maakt dat kinderen oppervlakkig met veel verschillende spullen aan de gang gaan; te weinig materiaal geeft kinderen onvoldoende gelegenheid om in de doen-alsof wereld te komen. Alternatief: vervang materiaal regelmatig.
  • Ga mee in de functie die kinderen aan materiaal toekennen. Bijvoorbeeld: een wandelstok kan ook een pistool zijn; een doosje kan een mobieltje zijn.
  • Zorg ook voor open materialen: doosjes, lappen stof, steentjes. Kinderen gebruiken hun fantasie om er iets anders in te zien.
  • Zorg regelmatig voor wisseling van materialen in de hoek, passend bij het spel of thema van dat moment. Zo blijft de hoek interessant en geef je gelegenheid tot gevarieerd spel.

Hoe zet je materialen in om interactie te ondersteunen?

  • Kinderen in fase 1 en 2 zoals genoemd in het observatieschema rollenspel, spelen nog graag naast elkaar (ongeveer) hetzelfde. Zorg daarom voor voldoende ‘eigen’ materiaal om mee te handelen, maar bekijk ook hoe je steeds meer gezamenlijk handelen in het spel kunt bevorderen. Samen soep koken: ieder een eigen pollepel en ingrediënten, maar één grote pan. Samen de baby in bad doen: één baby en één badje, maar twee washandjes. Ieder eigen cakevormpjes, maar die tegelijk in de oven doen. Ieder een eigen afwasborstel, maar één bak met sop. Houd extra materiaal achter de hand.
  • Voor kinderen vanaf fase 2 en 3 zijn rolondersteunende materialen belangrijk. Kinderen komen makkelijker tot doen-alsof spel met echte spullen die ze herkennen uit de echte wereld. Zoek ook naar voorwerpen die samen handelen en interactie ondersteunen: verband of pleisters bij de dokter, een kassa met geld in de winkel, een chippas of klantenkaart in de bus of bibliotheek…

Klassenmanagement*:
Een veel gestelde vraag is: Hoe krijg ik het meespelen georganiseerd? Maak duidelijke afspraken met kinderen en eventueel- collega over ‘even niet bereikbaar zijn’ als je met de kinderen meespeelt. Vraag of je kinderen met een andere collega mee naar buiten mogen.

Aandachtspunten:*
Wees niet dominant in het spel anders is er te weinig taal- en spelruimte voor de kinderen en wordt het contrast tussen jouw aan- en afwezigheid te groot. Dit punt is al een par keer eerder genoemd. Het kan zelfs een valkuil voor je zijn. Neem bij voorkeur een ‘kleine’ rol. Bijvoorbeeld klant bij de kapper, passagier in de bus, de buurvrouw die op bezoek komt

Wees de onwetende, laat kinderen de ‘beterweters’ zijn. Kom dus niet zelf met oplossingen, maar stimuleer kinderen om die zelf te vinden

Een andere vorm van dominant zijn is het nemen van de begeleidingsrol van speldirecteur en instructeur. Als je deze rol neemt kun je het spel teveel sturen terwijl we willen dat kinderen zelf actief zijn.

Wees niet te dominant in de interactie. Laat kinderen actief mee doen, actief mee denken en actief mee praten.

Begeleidingsrollen in spel>>>lees meer
Door goed te observeren krijg je zicht op wat er zich allemaal tijdens het spel afspeelt en hoe kinderen zich ontwikkelen. 

Is het nodig extra te begeleiden? Achter deze link ter ondersteuning een observatiemodel.
 

Eenvoudige en complexe taaldenkfuncties>>>lees meer

Wat zijn taaldenkfuncties?

  • In het document dat u achter de bovenstaande link kunt vinden  kunt u zien hoe er een onderscheid gemaakt kan worden in eenvoudige en complexe taaldenkfuncties. Kinderen hebben complexe taalfuncties nodig om meer over de wereld om hen heen te weten te komen. Er is een  relatie tussen taal en denken, denkprocessen moeten verwoord kunnen worden door taal. Alle kinderen maken in taal en denken  een ontwikkeling door.  We vinden het belangrijk alle kinderen maar juist heel specifiek de jonge laag taalvaardige kinderen uit te dagen om te doen, te denken en te praten, ook al zijn de zinnen die kinderen produceren niet grammaticaal correct of is het taaldenken aleen zichtbaar in het handelen.
  • De taal die de kinderen in de gesprekken gebruiken, hebben als doel te beschrijven, benoemen maar ook om te vergelijken, redeneren, concluderen, etc. Als je de kinderen wilt uitdagen, is het goed om je als leerkracht bewust te zijn van de verschillende taalfuncties. Dan kun je beter sturing geven aan het gesprek, want de rol van de leerkracht blijft cruciaal. In dat soort gesprekken wordt de taal en het denken gestimuleerd

Specialist in ontwikkelingsgericht onderwijsHogeschool lerarenopleidingInstituut voor onderzoek van opvoeding en onderwijsHogeschool lerarenopleiding