Uitleg kernelementen

Uitgangspunten

  1. Plezier in het spel staat voorop, voor kinderen en professionals
  2. Schep spelsituaties waarin kinderen taal nodig hebben, met jou en met elkaar
  3. Betrek alle kinderen in communicatie, dus ook de laagtaalvaardige, stille of minder actieve kinderen
     
    Jonge kinderen communiceren op twee manieren: verbaal en non-verbaal. Als je graag wilt begrijpen wat kinderen bedoelen, als je andere kinderen wilt betrekken en als je de communicatie wilt verdiepen, kun je onder de kopjes Verkennen, Verbinden en Verdiepen (De Haan, 2010) vinden hoe je dat kunt doen.

    Verkennen

    Verkennen is even stil staan, kijken en luisteren naar wat het kind zegt en doet. We onderzoeken, verkennen waar het kind mee bezig is:  Wat vindt het interessant? Wat wil het weten? Wat weet het al? We kijken ook naar wat een kind non-verbaal laat zien. Wat doet het bijvoorbeeld met de pannetjes in de huishoek?

  4. Observeer eerst goed waar de kinderen mee bezig zijn in hun spel voordat je mee gaat spelen

    Verbinden 

    Na het verkennen verbinden we ons aan de gevonden interesse van de kinderen: "Ah, je bent aan het koken". Dit is een open bewering die interesse toont in wat het kind zegt en kansen biedt voor open communicatie. We kijken ook of we andere kindere aan het spel en  aan elkaar kunnen verbinden. Zo ontstaat communicatie. 

    Aandachtspunt: wees niet dominant, neem zelf geen grote rollen.

  5. Ga mee in het spel van de kinderen: stap in de doe-alsof wereld
  6. Schep ruimte voor eigen bijdragen van kinderen en ga daarin mee
  7. Betrek kinderen op elkaar

    Verrijken

    Bij het verrijken trekken we het spel op een hoger niveau. “Oei dit pannetje wordt erg warm” (en trek dan snel je handen weg bij het pannetje). We gaan de kinderen cognitief uitdagen door een stapje verder te gaan. We voegen nieuwe elementen aan het spel toe, waardoor het spel nog interessanter wordt en de kinderen groeien in hun ontwikkeling.

    Verrijk spel en taal als dat nodig is. Dat kun je doen door inbreng van kinderen oppakken of zelf iets inbrengen. Vaak nemen kinderen zelf al initiatief: gebruik dat, ga daarin mee. Wanneer je merkt dat de betrokkenheid van de kinderen begint af te nemen, neem dan zelf initiatief door iets nieuws in te brengen.

    Aandachtspunt: wees niet dominant, wees geen speldirecteur en instructeur

  8. Benut kansen in het doen-alsof spel om kinderen tot (complexe) denktaal uit te dagen
  9. Verdiep en verbreed het spel
  10. Gebruik een probleem of creëer een probleem

 

Bron:

Haan, D. de (2012). Verkennen, Verbinden, Verrijken: didactiek voor een goede interactie met jonge kinderen. Basistraining VVE plus. Amsterdam: Gemeente Amsterdam i.s.m. De Activiteit, CED-groep, CITO en Nederlands Jeugd Instituut.  

 

Kernelement 1: Plezier in spel staat voorop, voor kinderen en voor jou als professional.

We kunnen heel goed zien of kinderen plezier hebben. We kunnen dat afmeten aan de mate van welbevinden en de betrokkenheid.

Welbevinden:

Belangrijke signalen van welbevinden zijn genieten, spontaniteit en zichzelf kunnen zijn, openheid, ontspanning en innerlijke rust, en vitaliteit (De Leuvense Welbevinden Schaal, LWS, Laevers e.a. 2012). Wat zien we dan bij de kinderen?

  • het kind voelt zich duidelijk op en top, geniet met volle teugen
  • het kind is blij en opgewekt: (glim)lachen, glunderen, kraaien van plezier
  • het kind is spontaan, kan zichzelf zijn en toont zelfvertrouwen
  • het kind is ontspannen en vertoont geen signalen van stress
  • het kind heeft een stralende blik, toont levenslust, reageert energiek
  • het kind stelt zich open voor de omgeving en het contact met andere kinderen en volwassenen en geniet van wat de situatie biedt

Betrokkenheid:

We zien grote betrokkenheid bij kinderen als ze helemaal opgaan in waar ze mee bezig zijn. Op welke signalen kun je letten?

  • Concentratie: het kind laat zich niet afleiden, het richt de aandacht op dat waar het mee bezig is
  • Motivatie: het kind doet iets uit zichzelf, omdat het erg aangesproken wordt door de activiteit, het is werkelijk geïnteresseerd
  • Intense mentale activiteit: de waarneming van het kind is scherp en intens. Kinderen laten zien creatief en nauwkeurig te zijn en laten complex handelen zien
  • Voldoening: het is te zien dat het kind voldoening ervaart, het is niet verveeld en heeft merkbaar zin in het spel.
  • Exploratiedrang: kinderen hebben de behoefte grip te krijgen op de werkelijkheid, je ziet dat ze verder verkennen en ontdekken.

Meespelen biedt kansen om welbevinden en betrokkenheid te onderssteunen of te versterken. Maar het kan het spel van de kinderen ook verstoren. De kernelementen van Taal- in-Spel vormen een richtlijn hoe je spel op een positieve manier kunt beinvloeden.

Aandachtspunten:

  • Hou goed in de gaten of welbevinden en betrokkenheid niet afnemen als je mee gaat spelen. Dat is een signaal dat de kinderen hun eigen lijn niet meer kunnen vasthouden doordat je het spel te sterk in een door jou gekozen richting stuurt (zie ook kernelement 7).
  • Laat je meenemen in het spel van de kinderen. Wees nieuwsgierig, laat je verrassen en gebruik je verwondering in de doen-alsof-wereld…

Bron:

Laevers, F. et al. (2012). Een procesgericht kindvolgsysteem voor kleuters. Leuven: Centrum voor Ervaringsgericht Onderwijs.

Bij het videofragment

Context

Voorafgaand aan dit fragment hebben de kinderen en Francisca hun geleende boeken uit de bibliotheekhoek bekeken. De betrokkenheid neemt af en Francisca brengt een nieuwe impuls in: er stinkt iets. Eerder heeft Francisca gezien dat de kinderen de baby aan het verschonen waren. Daarbij waren de poepluiers onderwerp van gesprek. Francisca pakt deze draad weer op. Ze heeft daar zelf duidelijk plezier in. 

Kijkvragen

  • Zie je hoe aanstekelijk het spelplezier van Francisca is voor de kinderen?
  • Zie je hoe Francisca zich aan het eind laat meenemen door het grapje van het meisje en er samen gelachen wordt?
  • Bij welke kinderen zie je betrokkenheid ontstaan door de inbreng van Francisca?

Samen doordenken

  • Waar heb jij zelf vandaag plezier aan beleefd in het spel met de kinderen? Hoe reageerden de kinderen?
  • Op welke manier zet jij je humor in om de betrokkenheid van kinderen te vergroten?
  • In hoeverre lukt het jou om je eigen spelidee los te laten als kinderen door iets anders geboeid zijn?
  • Hoe ga jij mee in het doen-alsof spel van de kinderen?

Kernelement 2: Schep spelsituaties waarin kinderen taal nodig hebben, met jou en met elkaar.

Om kinderen uit te dagen tot taal, creëer je in het spel situaties waarin mensen in het dagelijks leven samen handelingen uitvoeren en met elkaar in gesprek zijn. Denk bijvoorbeeld aan de klant die brood komt kopen bij de bakker, de passagier die een kaartje vraagt aan de buschauffeur of de dokter die een patiënt onderzoekt. Als kinderen wederzijds afhankelijk zijn van elkaar om hun spel te kunnen spelen, stimuleert dat onderlinge communicatie.

Afhankelijk van de spelontwikkeling zijn spelende kinderen minder of al meer gericht op talige interactie. Ook het soort taal dat kinderen gebruiken in hun spel hangt samen met hun  spelontwikkeling.
Vol ontwikkeld rollenspel of doen-alsof-spel ontwikkelt zich geleidelijk vanuit manipulerend spel, spel waarin kinderen materialen exploreren. Het observatiemodel Rollenspelontwikkeling (* Leong & Bodrova, 2012) geeft een schematisch overzicht van die ontwikkeling. De belangrijkste kenmerken van de spel-en taalontwikkeling staan hier op een rij.

Veranderingen in taalgebruik tijdens rollenspelontwikkeling

Fase 1: materiaalgericht spel. De jongste kinderen zijn in hun spel vooral gericht op het exploreren van materialen. Daarbij maken ze regelmatig speelgeluiden, maar verder gebruiken ze niet zoveel taal. Ze spelen ook nog veel alleen.

Fase 2: handelingsgericht spel. Kinderen laten geleidelijk aan symbolisch spel zien: ze imiteren handelingen die ze volwassenen zien doen. Ze roeren bijvoorbeeld met een lepel in een pan of leggen een baby in bed. Ze gebruiken nu ook handelingsbegeleidende taal: ze verwoorden wat ze doen. "Zo, even roeren." "Die daarin." Vanuit het handelen kan een koppeling ontstaan met een rol. Kinderen ‘ontdekken’ als het ware dat ze moeder of vader zijn, of buschauffeur. Soms krijgen ze een rol toebedeeld van kinderen die verder zijn in de spelontwikkeling.

Fase 3: Rolgericht spel. Kinderen raken in hun spel steeds meer betrokken bij specifieke rollen. Ze willen een bepaald personage spelen, bijvoorbeeld de grote zus of politieagent. Ze hebben ideeën over wat zo iemand doet en zoeken daarbij de materialen en voorwerpen die ze nodig hebben. Er ontstaat meer samenspel en kinderen gebruiken rolgebonden taal. Dat zijn zinnen en woorden die kenmerkend zijn voor de rol die gespeeld wordt. "Goedemorgen, waarmee kan ik u helpen?"

Fase 4: Verhaalgericht spel. Kinderen raken steeds meer gericht op wat de personages in het spel meemaken. Ze spelen langere verhalen, waarin kinderen oog krijgen voor details in de rol en voor de relaties tussen verschillende rollen. Ze spelen graag zoals het ´in het echt´ gaat. Kinderen overleggen nu ook meer over wat en hoe ze spelen. Ze gebruiken daarbij ook metataal, taal over het spel. "Dan ging hij eerst heel hard achter de dief aan en daarna botste die tegen de boom".

Fase 5: Plangericht en vol ontwikkeld rollenspel. Kinderen laten grote variatie en complexiteit zien in hun spel. Het verhaal kan zich uitspreiden over meerdere dagen of zelfs weken. Inspiratie voor het spel komt uit de echte wereld, maar ook uit verhalen, boeken, games, televisie… Kinderen hebben veel plezier aan het plannen van spel. Ze denken en praten langdurig over het spelverhaal, en bereiden het spel voor. Daarbij houden ze zich strikt aan hoe ze denken dat het in de echte of in hun gezamenlijk gefantaseerde wereld gaat. De plannen worden lang niet altijd werkelijk ‘uitgespeeld’.

Zet materialen in om interactie te ondersteunen

  • Kinderen in fase 1 en 2 spelen nog graag naast elkaar (ongeveer) hetzelfde. Zorg daarom voor voldoende ‘eigen’ materiaal om mee te handelen, maar bekijk ook hoe je steeds meer gezamenlijk handelen in het spel kunt bevorderen. Samen soep koken: ieder een eigen pollepel en ingrediënten, maar één grote pan. Samen de baby in bad doen: één baby en één badje, maar twee washandjes. Ieder eigen cakevormpjes, maar die tegelijk in de oven doen. De een een afwasborstel en de ander een schuursponsje... maar één bak met sop. Houd extra materiaal achter de hand.
  • Voor kinderen vanaf fase 2 en 3 zijn rolondersteunende materialen belangrijk. Kinderen komen makkelijker tot doen-alsof spel met materialen die ze herkennen uit de echte wereld. Zoek ook naar voorwerpen die samen handelen en interactie ondersteunen: verband of pleisters bij de dokter, een kassa met geld in de winkel, een chippas of klantenkaart in de bus of bibliotheek…
  • Laat kinderen voor  het spelen op hun eigen niveau vertellen over het spel. Wat willen de kinderen gaan spelen, hoe ziet dat eruit, welke geluiden maken ze dan of wat zeggen ze?  En vanaf fase 3 en verder: met wie willen ze spelen, wat doen ze en wat zeggen ze daarbij? “Vertel eens wat er dan gaat gebeuren...” En welke plannen hebben ze nog meer of wat is er voor nodig om die plannen uit te kunnen voeren?
  • Tijdens het spelen kun je speelgeluiden, handelingsbegeleidende taal en rolgebonden taal ‘laten zien’ door mee te spelen. Soms op het niveau van de kinderen en soms net daarboven. (zie ook kernelement 5).
  • Laat kinderen na het spelen op hun eigen niveua vertellen over het spel.

Aandachtspunt:

Wees alert op non-verbale interactie: samen handelen zonder (veel) taal. Dit is een belangrijke voorloper van verbale of talige interactie. het is voor jou een aanknopingspunt om taal in te brengen en om zo communicatie tot stand te brengen. Jij verbaal, het kind handelend (zie ook kernelement 3).

 

Bron:

Haan, D. de en J. Schut (2006). Speelmaatje of spelleider, de rol van leidster in spelbegeleiding van peuters. Zone. Jaargang 5, nr.4.

Leong, Deborah J., Elena Bodrova (2012). Assessing and scaffolding make-believe play. NAEYC: Young Children 67 (1), 28-34.

Bij het videofragment

Context

Voordat de kinderen gaan spelen, voert Julie een gesprekje met de kinderen. Er wordt vooraf een plan gemaakt: doktertje spelen. Julie helpt het spel te structureren door naar de rolverdeling te vragen. De meisjes spreken af dat ze om de beurt dokter mogen zijn. Maar ook grote zus.

De setting van een dokter en patiënt vraagt altijd om communicatie. De afspraken vooraf helpen de kinderen om dat spelverhaal samen te spelen. Die structuur geeft de kinderen houvast voor de communicatie met elkaar vanuit hun rol.

Bij de dokterstafel is Hayfa tegelijkertijd de grote zus en de dokter. Meysem (midden) is ook dokter. Alisa is de moeder van de zieke baby.

Kijkvragen

Samen doordenken

  • Zie je hoeveel interactie tussen de drie rollen de setting uitlokt? In hoeverre ondersteunen de drie kinderen hun interactie al met taal?
  • Op welke manier lokt Julie de kinderen voorafgaand aan het spel uit om te verwoorden wat ze willen spelen?
  • Hoor je hoe Hayfa tijdens het spel nog eens aangeeft welke rol(len) ze aanneemt?
  • Zie je hoe Julie aan het eind van het filmpje het spelverhaal van de kinderen een vervolg geeft door hen te vragen hoe het  nu is met de baby? Zie je dat ze hiermee een nieuwe situatie creëert waarin mensen taal nodig hebben met elkaar?
    • Welke spelverhalen van de kinderen in jouw groep roepen vanzelf onderlinge communicatie op? Waar kun jij dit nog versterken?
    • Wat levert het op wanneer je de kinderen laat vertellen wat ze hebben meegemaakt in hun spel?

Kernelement 3: Betrek alle kinderen in communicatie, dus ook de laagtaalvaardige, stille of minder actieve kinderen.

  • Als kinderen nog weinig praten, kunnen ze al non-verbaal aan de communicatie deelnemen: door te handelen en met gebaren. Daag deze kinderen uit tot actief handelen, betrek en verwoord waar nodig non-verbale acties van de kinderen in het spel.
  • Reageer zoveel mogelijk op elke bijdrage aan de communicatie van deze kinderen, zowel non-verbale als verbale.
  • Maak oogcontact, laat merken dat je het kind gezien of gehoord hebt en ga erop in. Dat kan door een verbale reactie, maar vaak is stilte en uitnodigend kijken ook al voldoende.
  • Zorg dat niet jijzelf het middelpunt wordt van het spel, maar stimuleer onderling samenspel.
  • Maak ook regelmatig vrij homogene groepjes in spel- en taalniveau zodat alle (laagtaalvaardige, stillere of minder snelle) kinderen beter de tijd en de kans krijgen om actief bij te dragen. Wanneer er een veel vaardiger of sneller kind in het groepje zit, leidt dat vaak tot één-op-één interactie tussen dat snelle kind en de professional.
  • Wees heel alert op non-verbale acties of reacties, en haak als het even kan aan bij een talig initiatief (al is het zacht gesproken of niet meteen te begrijpen). Zet je antennes op scherp om die juist op te pikken.

Aandachtspunten:

  • Let op dat je als professional niet zelf de stiltes opvult. Zeker bij stille of de laagtaalvaardige kinderen ligt dat op de loer. Alternatief: mee handelen met de kinderen.
  • Let op de samenstelling van de groep kinderen. Er ontstaat snel één-op-één interactie tussen de professional en het snelste kind. Als het minder snel pratende kind wel intensief het spel volgt en meebeleeft, en zelfs mee-handelt, is dit een uitgelezen kans om zijn deelname ook talig te maken. Vooral voor de stillere kinderen (verlegen, minder taalvaardig, minder snel) is het belangrijk ook regelmatig samen te spelen met andere minder laagtaalvaardige kinderen. De stille (laagtaalvaardige) kinderen krijgen dan betere kansen om verbaal mee te doen.

Bron:

www.uitdagentotgesprek.nl

Bij het videofragment

Context

Verschillende kinderen vragen de aandacht van Nienke. Bij de start van dit fragment zien we hoe makkelijk de kwebbelende Hayfa de aandacht van Nienke krijgt. Vervolgens besluit Nienke om in te gaan op de uitnodiging van Denise om thee te drinken. Ze grijpt daarbij de kans om de stillere Denise tot praten uit te dagen. Doordat Nienke doet alsof ze niet begrijpt wat Denise bedoelt, gaat Denise meer taal gebruiken. Zij wil immers duidelijk maken wat ze wil. Het spel wordt van een afstandje gade geslagen door een derde meisje. Dit meisje is nieuw op de peuterspeelzaal en volgt Nienke als schaduw bij alles wat ze doet. Nienke geeft haar de ruimte om alles eerst eens rustig te observeren.

Kijkvragen

Samen doordenken

  • Met welke vragen of gebaren lokt Nienke Denise uit om meer uitleg te geven?
  • Op welke manier reageert Denise met verbale en non-verbale reacties?
  • Zie je hoeveel taal en denken bij Denise wordt uitgelokt?
    • Welke kinderen wil jij wat meer gaan uitdagen om te gaan praten? Welke situatie is daarvoor meer geschikt, een één-op-éénsituatie of bij spel in een groepje?
    • Op welke manier zou jij het nieuwe meisje begeleiden?

Kernelement 4: Observeer eerst goed waar de kinderen mee bezig zijn in hun spel voordat je mee gaat spelen.

Meespelen met kinderen biedt kansen om de kwaliteit van spel en taal te ondersteunen en stimuleren. Maar wanneer je niet zorgvuldig afstemt op de betekenissen van kinderen kan jouw inbreng het spel en de betrokkenheid verstoren.

  • Neem altijd de tijd om te verkennen wat kinderen aan het spelen zijn. Wat doen ze, wat zeggen ze? Wees even toeschouwer aan de zijlijn. Probeer je in te leven in de ervaring van de kinderen. Waar gaat hun aandacht naar uit, wat nemen ze waar, wat lijkt belangrijk voor ze? In hoeverre zijn de kinderen met elkaar in contact en wat speelt zich af in dat contact? Wanneer er sprake is van een lage betrokkenheid of een lager spelniveau dan je gewend bent van deze kinderen kan jouw inbreng welkom zijn. Maar ook wanneer kinderen wel betrokken zijn, kun je meespelen. Als je maar bereid bent om in hun verhaal mee te doen, als speelmaatje.
  • Neem de rust om langer achter elkaar bij een spelgroepje te zijn. Het is effectiever om één keer 5 tot 10 minuten bij het spel te zijn, dan vijf keer 1 minuut. Dat geeft onrust.
  • Laat je niet zomaar afleiden door andere kinderen. Maak duidelijke afspraken met kinderen en eventueel je collega over ‘even niet beschikbaar zijn’.
  • Sluit aan bij de werkelijkheid van de kinderen en bij hun niveau. Wanneer kinderen jou niet kunnen volgen, nemen ze geen initiatief meer.
  • Blijf de kinderen observeren als je in het spel stapt. Hoe reageren ze? In hoeverre ontstaat er contact? Kijk goed, luister goed. Welke initiatieven nemen ze? Wat is betekenisvol voor ze?
  • Je bent lang niet altijd nodig in het spel. Soms klopt alles al. Blijf dan gerust aan de zijlijn en geniet van de kinderen. Zo leer je veel over ze.

Aandachtspunt:

Bij iedere hoek snelle suggesties doen zonder dat je goed gezien hebt wat zich daar afspeelt werkt averechts. Alternatief: tijd en rust nemen om spel op één plek te observeren en begeleiden (Singer & Tajik 2014).

Bron:

*Singer, E. en M. Tajik, Verhogen van de spelbetrokkenheid, invloed van je eigen gedrag. Het Jonge Kind, november 2014.

Bij het videofragment

Context

Sanae zit bij het spel van Milo en Janne. Janne is geconcentreerd bezig en Sanae kiest ervoor om haar  daar niet bij te storen. Ze neemt de rol van toeschouwer aan en pas als Janne het initiatief neemt om Sanae bij haar spel te betrekken, gaat ze meespelen. Ze neemt daarbij de rol van speelmaatje aan. Hierdoor betrekt ze Milo, die zijn interesse in het spel wat aan het kwijtraken is, ook weer bij het spel.

Kijkvragen

  • Zie je het verschil in de houding van Sanae in haar rol van toeschouwer en haar rol van speelmaatje?
  • Wat gaat er vooraf aan het moment dat Sanae gaat meespelen? Wat doen de kinderen?
  • Zou jij dit moment ook gekozen hebben om in de rol van speelmaatje te stappen?
  • Welk effect heeft het meespelen van Sanae op het spel van Milo? Waar gaat zijn aandacht naar uit?

Samen doordenken

  • Neem jij wel eens de rol van toeschouwer aan om het spel van kinderen te observeren? Welk doel heb je daarbij voor ogen?
  • Kun je een voorbeeld geven van een moment dat jij het spel van de kinderen vooral niet wil verstoren door mee te gaan spelen?
  • Heb je er ook een voorbeeld van dat meespelen juist verdieping in het spel gaf?


Kernelement 5: Ga mee in het spel van de kinderen: stap in de doe-alsof wereld.

Waarom doen-alsof?

In doen-alsof spel gaan kinderen op in hun verbeelding. Hoewel ze weten dat ze spelen, ervaren ze de doen-alsof wereld op een bepaalde manier als ‘echt’, als ‘natuurlijk’. Dat is bepalend voor hun betrokkenheid. Accepteer ideeën en oplossingen van de kinderen.

In taal-in-spel streven we naar spelbegeleiding vanuit de rol van speelmaatje. Je speelt mee als insider en bent geen ‘oog van buitenaf’. In de rol van speelmaatje kom je het dichtstbij het plezier van binnenuit het spel.Als je mee wilt doen met het spel van kinderen, is het belangrijk om hun doen-alsof wereld in stand te houden of zelfs te versterken. Dat doe je door eerst goed te observeren wat de kinderen spelen (zie kernelement 4). Je verbindt je met de kinderen door in hun doen-alsof wereld te stappen. Je gaat op in het spelverhaal.

  • Als je met kinderen meespeelt in doen-alsof-spel, neem je een rol aan en die houdt je vast. Je handelt en praat op een manier die natuurlijk past bij je rol.
  • Het spelverhaal en de rollen die gespeeld worden horen bij elkaar.
  • Als speelmaatje zul je, net als de kinderen zelf, soms meer volgend en soms meer leidend zijn.
  • Als je net bent ingestapt, ga je vooral mee in de initiatieven van de kinderen. Je volgt wat er gebeurt. Vanuit je rol reageer je wel op de andere spelers, maar zonder de boventoon te voeren. Jouw handelen en taal geven verdieping aan de situatie. Je brengt details aan in het handelen of gebruikt rolgebonden taal die kinderen nog niet zelf gebruiken. Dat past heel natuurlijk bij de rol die je speelt.
  • Het kan heel goed werken om dezelfde rol te spelen als een kind, zeker bij jonge kinderen, bijvoorbeeld samen klant of samen verkoper zijn. Je kunt dan heel mooi het initiatief bij het kind laten en af en toe een aanvulling doen.
  • Als kinderen behoefte hebben aan meer variatie of uitdaging, geef je een nieuwe impuls aan het verhaal. Je bent dan meer leidend. Soms kort, soms wat langer. Je neemt dan weliswaar even het voortouw, maar wordt niet dominant. Je blijft in contact met de kinderen, houdt goed in de gaten of iedereen in hetzelfde verhaal blijft en of je tempo niet te hoog ligt. Je daagt uit, maar geeft kinderen de ruimte om wel of niet op jouw initiatief in te gaan. Er blijft sprake van wederzijdsheid in het spel.
  • Wanneer je moet stoppen met meespelen, bedenk dan een eenvoudige reden waarom jouw personage vertrekt. Bijvoorbeeld: juf Joyce komt de papiermakerij binnen en vraagtof er papier is. Ze is schrijfster en heeft papier nodig voor haar nieuwe boek. Ze kan niet lang blijven om te helpen, ze moet namelijk naar een nieuwe afpsraak.  Kinderen kunnen dan makkelijker verder spelen.
  • Versterk de doen-alsof-wereld door je taalgebruik. Dat zorgt voor hogere betrokkenheid van kinderen en betere verbinding tussen kinderen.
    • Spreek in ‘ik’ en ‘wij’. “Mag ik een beetje suiker?”, We gaan op vakantie.” (en niet: “Jullie gaan zeker op vakantie?”)
    • Spreek kinderen aan in hun rol: “Waar gaan we naar toe, chauffeur?”, “Straks branden de taartjes aan, papa”, “Kan ik uw collega even spreken?”
    • Gebruik rolgebonden taal; taal die echt past bij jouw rol in de doen-alsof wereld.

Aandachtspunt 1:

  • Let op dat je niet alle aandacht naar je toe trekt als je het spel instapt door heel groot en opvallend te spelen. Met een luide of gekke stem, met overheersend gedrag, met een grootse entree “Zo, hier ben ik dan eindelijk!”. Kinderen vinden het vaak wel even grappig of fascinerend, maar stoppen zelf met initiatief nemen en laten hun eigen verhaal los. Het contrast tussen jouw aanwezigheid en jouw afwezigheid in het spel wordt te groot.
  • Probeer op een natuurlijke manier vorm te geven aan je rol. Maak er geen drama van en houd je ook geregeld even op de achtergrond.

Aandachtspunt 2

  • Probeer niet het spel van buitenaf te becommentariëren door bijvoorbeeld expliciete spelaanwijzingen of verkapte regieaanwijzingen te geven "Ga de taart maar verdelen" of "Wat moeten we nog doen voor we op reis kunnen"?
  • Blijf in je rol. Zoek naar natuurlijke formuleringen die kloppen bij je rol: "Oeh, wat ziet die taart er lekker uit. Zullen we hem opeten?" Of: "Mag ik misschien een stukje taart?"

Aandachtspunt 3

  • Probeer te vermijden om Instructietaal gebruiken of controlevragen stellen. Dat is de taal die je als juf/meester gebruikt op weg naar ‘het goede antwoord’, bv. "Hoe heet dat?". Ook als je ‘als juf’ deel bent van het spelverhaal, vermijd je deze taal.

Bij het videofragment

Bij dit videoframent schetsen we eerst de context van het spel. Dan leggen we je een aantal kijkvragen voor en nodigen we je uit om een relatie te leggen met je eigen praktijk.

Context

Juf Sanae is pedagogisch medewerker in een kinderdagverblijf. Ze speelt met twee kinderen in de huishoek, die dokter zijn. Milo, de jongen, en Janna, het meisje, spelen graag samen. Milo praat gemakkelijk, Janna is stiller. Juf gaat met haar zieke kind naar de dokters. Voorheen richtte ze zich vooral op Milo, omdat ze dan in ieder geval in gesprek kwam. Nu focust ze op Janna omdat zij het stillere kind van de twee is. Ze probeert Janna uit te dagen tot praten en spelen.

Kijkvragen

  • Hoe gaat juf Sanae mee in het spel van de kinderen? Wat doet zij en hoe reageren de kinderen? Zie je hoe juf Sanae in haar rol blijft?
  • Zie je hoe juf Sanae Janna probeert uit te dagen om te praten? Wat doet de juf daar precies? Zo combineert de juf dit kernelement met kernelement 3.

Samen doordenken

Hoe ga jij mee in het doen-alsof spel van de kinderen?

  • Lukt het om in je rol te blijven, bijv. door te praten in ‘wij’ en ‘ik’.
  • En bijvoorbeeld door het kind aan te spreken in haar rol: juf Sanae spreekt Janna aan als ‘dokter’.
  • Gebruik je rolgebonden taal die past bij jouw rol, zoals juf Sanae zegt “Ik maak me wel ongerust, dokter”.

Ervaring van een professional

Juf Sanae was niet gewend om mee te spelen in een rol, ze heeft dat echt moeten leren. “Het voelt gek om zomaar een rol te spelen. Maar als je er eenmaal in zit, gaat het eigenlijk vanzelf.”

Kernelement 6: Schep ruimte voor eigen bijdragen van kinderen en ga daarin mee.

Je geeft kinderen de ruimte om hun eigen ideeën in te brengen. (Ook als de bijdragen je verrassen of als je ze (nog) niet snapt. Voor taalontwikkeling is het noodzakelijk dat kinderen actief en op eigen initiatief praten: dan gaat hun taalleermechanisme * in werking. Ruimte is er als de professional zelf ophoudt met praten. Wanneer je een kind niet goed begrijpt, laat dan vanuit je rol je verbazing of onbegrip merken: “Ehm, ik begrijp het niet.” “Hoe kan dat nou?” Accepteer ideeën en oplossingen van de kinderen.

  • Laat stiltes vallen. Dan krijgen kinderen de kans om zelf te bedenken wat ze gaan doen en hoe ze dat onder woorden gaan brengen.
  • Geef luisterresponsen: bijvoorbeeld Mm, Oh? en Ja? of herhaal wat het kind zei. Daarmee geef je aan dat je volgt wat het kind zegt en doet, en geef je de spreekvloer weer terug aan het kind.
  • Stel niet voortdurend vragen. Door steeds vragen te stellen, bepaal jij de richting en inhoud van het gesprek. Kinderen ontwikkelen zich beter in spel en taal als ze zelf actief meedoen en op eigen initiatief een bijdrage leveren. Daarmee worden ze ook autonomer.
  • Stel alleen als het nodig is een open vraag en blijf dan weer stil. Met af en toe zo’n open vraag kun je een nieuwe impuls inbrengen in het spel en de taal. Door daarna weer stil te blijven leg je de regie weer terug bij de kinderen.
  • Breng af en toe een prikkelende opmerking in. Een prikkelende opmerking gaat in tegen wat het kind zelf denkt of veronderstelt. Dat werkt nog mooier dan een open vraag, omdat kinderen dan helemaal vrij zijn in hoe ze reageren en hoe ze dat formuleren.
  • Gebruik verbazing. Een speciale vorm van ruimte aan de kinderen geven is verbazing laten blijken. Verbazing kan bijvoorbeeld uitgedrukt worden als open vraag: ‘He, hoe kan dat nou?’, maar ook als bewering: ‘dat kan toch niet?’ of ‘ ik snap het niet’. Een korte minimale uiting zoals ‘Huh?’ werkt ook als een uiting van verbazing. Het gaat hier niet om de verbazing van een professional die niet snapt wat een kind bedoelt, maar om verbazing die bewust wordt ingezet om een kind uit te dagen en de ruimte te geven om verder te praten en te spelen (Damhuis de Blauw en Brandenbarg 2004).

Aandachtspunten:

  • Je focus is hier niet de woordenschatontwikkeling, waarbij je vooral verwoordt wat kinderen doen, maar taalontwikkeling in brede zin via interactie.
  • Om woordenschat te stimuleren kun je zorgen voor spullen en handelingen die het gebruik van die woorden op een natuurlijke manier uitlokken.

 

Om met kinderen te kunnen praten  is het goed je bewust te zijn van alle aspecten van het zogenaamde taalleermechanisme. Taal- en denkontwikkeling vindt plaats als er taalaanbod is, als er voldoende ruimte is voor het kind om zelf te praten en wanneer er feedback van de leerkracht is op wat een kind zegt. Het is niet zo dat kinderen vooral taal leren door eerst woorden te leren, en die dan te gaan oefenen. Het leren van taal gebeurt vooral spelenderwijs tijdens het praten, tijdens het gesprek. Denk maar aan hoe jonge kinderen hun moedertaal leren: door te communiceren met hun vader of moeder.

Aandachtspunt:

  • Een aandachtspunt is inderdaad om niet zelf stiltes vol te praten, maar om juist stiltes te laten vallen en niet te snel een volgende vraag te stellen.
  • Jonge kinderen hebben de ruimte nodig om na te denken over wat ze willen zeggen en hoe ze dat willen doen. Je hebt hier interactievaardigheden nodig waarmee je heel veel ruimte schept voor de kinderen om te denken en te praten. Ook al doen ze dat met losse woorden, of met af en toe een woord en verder gebaren. In zulke communicatie leren kinderen juist al doende meer taal. 

Bij het videofragment

Context

Juf Sanae is pedagogisch medewerker in een kinderdagverblijf. Milo en Janna spelen bij het babybed. Dat is kapot en de kinderen willen het repareren. De kinderen hebben al een idee hoe ze dat willen gaan doen. Wellicht niet zoals juf Sanae dat zou doen, maar ze sluit aan bij de handelingen en ideeën van de kinderen. Ze verleidt de kinderen om te praten.

Kijkvragen

  • Welke van de strategieën voor ruimte scheppen past juf Sanae toe? (zoals stiltes laten vallen en niet voortdurend vragen stellen)
  • Juf Sanae pakt als gelijkwaardig spelmaatje ook een gereedschap, de zaag. Dat lokt reactie uit bij Milo. Hoe schept Sanae dan ruimte voor de verdere invulling door Milo? Zie je wat er gebeurt als de juf verbaasd reageert?

Samen doordenken

  • Blijf jij wel eens stil als je meespeelt? Wanneer werkt dat goed?
  • Hoe zou jij bewust verbazing inzetten om kinderen tot praten uit te dagen?

Ervaringen van professionals

  • “We realiseerden ons hoe vaak we zelf aan het woord waren. Dat was een belangrijk leerpunt voor ons”.
  • “We praten zelf de stiltes vol, we weten dat we dit niet moeten doen maar oef wat is het moeilijk om dat niet te doen. “

Damhuis, R., De Blauw, A. & Brandenbarg, N. (2004). CombiList, een instrument voor taalontwikkeling via interactie. Praktische vaardigheden voor leidsters en leerkrachten. Nijmegen: Expertisecentrum Nederlands.

Kernelement 7: Betrek kinderen op elkaar.

Bij Taal in spel ben je erop gericht dat  kinderen niet alleen met jou als professional maar vooral ook met elkaar in gesprek zijn. We kennen allemaal situaties dat een kind iets tegen je zegt, je geeft antwoord en je vraagt vervolgens iets aan een ander kind. Dat zijn heel korte één-op-ééntjes. Professionals kunnen het gesprek tussen kinderen zo sterk belemmeren. Er is geen ruimte voor de kinderen om actief mee te doen, mee te denken en mee te praten met een ander kind.

Kinderen hebben belangstelling voor andere kinderen en gaan tussen 2 en 6 jaar van steeds meer naast elkaar ook steeds meer met elkaar spelen. Maar niet alle kinderen leggen even gemakkelijk contact. Ze moeten zich veilig en vertrouwd voelen. Voor de ontwikkeling van relaties met andere kinderen is spel heel belangrijk. Spel stelt kinderen in staat interacties te oefenen.

Hoe kun je nu als professional kinderen op elkaar betrekken?

  • Speel vragen en opmerkingen van kinderen door aan andere kinderen. Geef niet altijd zelf het antwoord op een vraag van een kind. Leg de vraag aan andere kinderen voor waarbij je non-verbaal aangeeft dat je van hen een reactie verwacht, meestal door hen vragend aan te kijken en zelf stil te zijn.
    “Hoor je dat? “
    "Dus nu weten we niet hoe we naar huis toe moeten?" (+ rondkijken naar andere kinderen),
    “Kunnen we het aan de piloot vragen?”
  • Betrek kinderen die toekijken bij het spel. Soms kijken kinderen toe bij het spel van andere kinderen. Je kunt ze betrekken bij het spel door te vertellen wat er gebeurt. Een kind kan zich dan uitgenodigd voelen om mee te gaan doen. Je zegt bijvoorbeeld tegen een kind dat toekijkt of net bij de hoek arriveert:
    “We proberen de taart in de oven te zetten”
    “Janneke zegt dat ze met de bus wil”.
  • Je kunt het samenspelen heel letterlijk benoemen: 'Misschien kunnen jullie het samen doen'?
  • Je kunt de rollen en handelingen die samenspelen noodzakelijk maken benoemen He, mama, hebben we al afgerekend bij de winkelmeneer? “Zo blijf je in je rol als kind dat met moeder boodschappen doet en wijs je tegelijk op een handeling die kinderen SAMEN moeten uitvoeren: klant en winkelbediende.
  • Je kunt een vraag richten tot alle kinderen:
    “Hoe gaan we dat nu oplossen?”
    “Wat nu?”

Aandachtspunt:

  • Al deze acties voer je uit in je rol binnen het spel (zie ook kernelement 5: ga mee in het spel). Je bent eerder een gewone deelnemer aan het gesprek die af en toe iets toevoegt of de kinderen uitdaagt om verder te denken.

Bij het videofragment

Context

Drie kleuters hebben eten gekookt en zijn nu aan het eten. Francisca (lk) ziet dat het lijkt alsof de kinderen nu klaar zijn met dit spel. Daarom schuift Francisca bij aan tafel met een wonderlijk koffertje: ze brengt bewust een nieuwe impuls in. Daarbij probeert ze alle drie de kinderen actief bij deze nieuwe impuls te betrekken. Als je deze context niet kent, zou je denken dat Francisca te veel stuurt in dit fragment. Juist in deze context is een nieuwe impuls nodig: ze probeert de kinderen te laten nadenken over wat dit toch voor koffertje zou zijn (n.b. het is een apparaat om cupcakes mee te bakken).

Kijkvragen

  • Hoor je hoe Francisca probeert ideeën van elk kind uit te lokken?
  • Hoe maakt ze de kinderen op elkaars ideeën attent?
  • Francisca gebruikt ook kernelement 5: Ga mee in het spel van de kinderen, stap in de doe-alsof wereld, en kernelement 9: Verdiep en verbreed het spel. Zie je hoe ze vanuit haar rol als visite ook niet goed snapt waar het koffertje voor is en dat samen wil gaan uitzoeken?

Samen doordenken

  • Francisca kiest ervoor om een nieuwe impuls in te brengen met het koffertje waarmee je cupcakes kunt bakken. Wat zou jij doen in zo’n situatie?
  • Heb je zelf ook wel eens meegemaakt dat het samenspelen stopt en de kinderen ieder voor zich bezig zijn? Hoe zou je daar nu op inspelen?

Kernelement 8: Benut kansen in het doen-alsof spel om kinderen tot (complexe) denktaal uit te dagen.

Al pratend leren de kinderen de wereld beter kennen. Ze gaan nadenken over wat ze zien, doen en ervaren. Denken doe je in je hoofd, dat is niet zichtbaar voor anderen. We willen graag dat kinderen in doen-alsof spel leren actief te mee te praten, actief mee te denken en actief mee te doen. Als je samen met een ander denkt, is taal daar een handig middel bij. Met behulp van taal kun je de ander laten weten wat je denkt. Door je ideeën in taal te verwoorden, maak je tegelijkertijd die ideeën concreter en helderder: taal maakt je ideeën scherper. Zo gaan taal en denken hand in hand (Mercer & Littleton, 2007).

Kinderen leren dat het best in een betekenisvolle context, in uitwisseling met elkaar en met jou als professional. Om dat te realiseren, zijn gesprekken nodig, ook tijdens doen-alsof spel. Doen-alsof spel daagt kinderen uit om te vergelijken, redeneren, concluderen, etc. Al spelende leren ze de taal die daarbij nodig is. Dit noemen we complexe denktaal.

We maken onderscheid tussen eenvoudige en complexe taaldenkfuncties.

Je kunt taal gebruiken om dingen te benoemen en te beschrijven. We noemen dat eenvoudige taaldenkfuncties:

  • Voor werpen of handelingen benoemen: Nienke vraagt aan de tandarts: “Wat bent u aan het doen?” Haifa: “Hij zit die hand aan het opendoen.” Nienke begrijpt dat Haifa bedoelt: “De tandarts is je mond aan het opendoen, met haar handen.”
  • Kenmerken beschrijven: Nienke vraagt: “Een prikje, doet dat zeer?” Haifa: "Nee, doet echt niet geen zeer!”

Je kunt taal ook gebruiken om je ‘denken’ onder woorden te brengen, dan heb je complexe taaldenkfuncties nodig die middel-doel-relaties uitdrukken, of oorzaak-gevolg-relaties, die een chronologische ordening aangeven of een redenering of vergelijking zichtbaar maken, enzovoort. In het tandartsfilmpje zijn ook daarvan voorbeelden te zien:

  • Doel-middelrelatie: Nienke vraagt: “Een prikje, waarvoor?” Haifa beantwoordt deze complexe vraag, met: “Uhm, als je beter bent.” (Wat ongeveer betekent: “Omdat een prikje zorgt dat je weer beter wordt.”)
  • Redeneren: Haifa zegt tegen Nienke dat ze moet gaan liggen. Nienke vraagt dan "Waarom?" Haifa: "Daarom, ik moet ook als mijn tand eruit had." Haifa bedoelt hier: "Daarom. Want dat moest ik ook toen mijn tand eruit moest." Hier zie je dat peuters en kleuters die nog niet zo heel taalvaardig zijn, toch al complexe relaties uitdrukken, ook al gebruiken ze nog niet alle bijbehorende signaalwoorden zoals ‘omdat’ of ‘want’ etc. 

Ook met alleen non-verbale taal, via aanwijzen en gebaren, of door losse woorden na elkaar te zeggen drukken jonge kinderen al complexe relaties uit: die klein, die groot (vergelijken: wijzend op de kleine en de grote auto). Signaalwoorden zoals want, omdat, dus leren ze gaandeweg. En als professional geef je die op een natuurlijke manier mee in je feedback: Ja natuurlijk, want die is echt groter! Je stimuleert spel- en taalontwikkeling het krachtigst, wanneer je ook heel jonge kinderen al uitdaagt tot complexe denktaal. 

De ontwikkeling van denktaal verloopt niet via een opbouw van de taaldenkfuncties, er is geen ‘volgorde’ waarin ze verworven worden. Kinderen leren al spelend en pratend de taalvormen te gebruiken die passen bij hun grotere kennis van de wereld. De inhouden waarover kinderen spelen, denken en praten, worden steeds complexer. Bijvoorbeeld als ze de beste glijbaan voor autootjes willen maken, hoor je het kind opeens zeggen: "Als je hem schuiner houdt, gaat de auto er sneller vanaf." 

Hoe kun je complexe denktaal uitlokken?

  • Daag kinderen uit om te doen, te denken en te praten. Als je de kinderen wilt uitdagen, is het goed om je als leerkracht bewust te zijn van de verschillende cognitieve taalfuncties. Dit helpt je om zowel taal als spel naar een hoger niveau te tillen. 
  • Pak de denktaal van de kinderen op: speel door naar de andere kinderen of lok uitbreiding uit. Vraag door naar details of redenen. Wees dus alert op denktaal van de kinderen!
  • Daag uit tot denktaal. Laat bijvoorbeeld je verbazing zien. Of gebruik een prikkelende bewering (zie ook de nteractiestrategieen bij kernelement 5: ruimte scheppen). Een prikkelende bewering is een opmerking die tegen de verwachting van een kind in gaat. De professional beweert bijvoorbeeld iets wat niet waar kan zijn, zegt of doet iets wat niet hoort', of trekt de bewering van het kind in twijfel. Het kind MOET als het ware wel een reactie geven of een vorm van protest. Het is een hele open vorm van uitdaging .
  • Gebruik ook zelf denktaal.

Aandachtspunten:

  • Wees alert dat denktaal speltaal blijft. Maak er geen lesje van. Anders gezegd: stel geen ‘controlevragen’ waarop je zelf het antwoord al weet, maar wees vooral nieuwsgierig en laat je verrassen: ‘Wat doet u nu, tandarts?’ ‘Waarom?’
  • Zorg er ook voor dat je niet al teveel afdwaalt van het spel of de voortgang teveel vertraagt.

Bronnen:

Damhuis, R., De Blauw, A. & Brandenbarg, N. (2004). CombiList, een instrument voor taalontwikkeling via interactie. Praktische vaardigheden voor leidsters en leerkrachten. Nijmegen: Expertisecentrum Nederlands.

Mercer, N. & Littleton, K. (2007). Dialogue and the development of children’s thinking. A sociocultural approach. London: Routledge.

Bij het videofragment

Context

Haifa (3 jaar) heeft de tandarts gebeld voor Nienke (pedagogisch medewerker peuterspeelzaal). Haifa is zelf pas naar de tandarts geweest en die heeft enkele van haar voortanden getrokken. Nienke richt zich in deze spelsituatie op twee van de peuters in haar groep: Haifa en Denise. Er is af en toe nog een ander meisje in beeld. Zij is vandaag voor de tweede dag op de peuterspeelzaal en observeert alles dat Nienke en de andere kinderen doen. Op een ander moment geeft Nienke ook haar aandacht, maar ze laat haar nu even rustig kijken.

Kijkvragen

Samen doordenken

  • Wat doet en vraagt Nienke om (complexe) denktaal uit te lokken van Haifa en Denise? 
    • Denk even terug aan een spelsituatie van jezelf, en noem enkele voorbeelden van denkvragen die je zelf gebruikt. (Zie document over eenvoudige en complexe taaldenkfuncties)
    • Welke denkvragen stel je zelf vaak?
    • Welke denkvragen zou je aan je eigen repertoire willen toevoegen/vaker willen gebruiken?

Ervaring van professional

Nienke is verrast over hoe gemakkelijk het is om bij Haifa zulke complexe denktaal uit te lokken. En over hoeveel initiatief er bij beide kinderen op gang kwam. Ze hoefde soms alleen maar ‘huh?’ te zeggen, met een verbaasd gezicht erbij, en de kinderen gingen van alles doen en uitleggen.

Kernelement 9: Verdiep en verbreed het spel.

Zie het spel als een verhaal. Je kunt het verhaal meer kleur en details geven (verdiepen) maar het ook langer maken of er een nieuw hoofdstuk aan toevoegen (verbreden).

  • Pak allereerst ideeën van kinderen op die in het spel ontstaan: laat de kinderen erop doorgaan en ga erin mee, zodat jullie het spelverhaal samen uitbouwen. Wanneer de betrokkenheid afneemt of het spel lijkt te stagneren, gebruik je je rol binnen het spel om te verrijken.

Je kunt op verschillende manieren iets inbrengen in het spel:

  • Verdiep de handeling door details toe te voegen of taal in te zetten die de kinderen zelf nog niet laten zien. Je blijft daarbij als het ware in hetzelfde moment, brengt de verhaallijn niet verder in de tijd. Verdiepen van de handeling laat zich vergelijken met het toevoegen van extra zinnen in een alinea over hetzelfde onderwerp. 

Voorbeeld: Tessa stelt verdiepende vragen waarmee ze erop aanstuurt dat de dierenartsen komen met een ‘behandelplan’ voor de poes. Wat gaan jullie dan allemaal doen? Wat gaat u dan onderzoeken? En als de dierenartsen besluiten dat poes een nachtje moet blijven, vraagt ze om een uitleg: Jullie willen hem opnemen, maar waarom dan? De kinderen reageren met: Dan kunnen we morgen kijken wat er aan de hand is. Maar het baasje van de poes wil iets meer weten: Maar wat gaan jullie dan eigenlijk allemaal onderzoeken? Daar ben ik ook wel benieuwd naar …

  • Breng een volgende handeling in om het verhaal een stukje verder te brengen in de tijd. Sluit daarbij aan op de verhaallijn, geef er een logisch vervolg aan. Dit laat zich vergelijken met een nieuwe alinea in het verhaal.

Voorbeeld: Het is niet opgenomen in het voorbeeldfragment, maar wat later in het spel draagt Tessa een volgende handeling aan, als zij vraagt: Waar moet poes dan slapen? Waarop de dierenartsen samen op zoek gaan naar een geschikt poezen-ziekenhuismandje.

  • Geef een wending aan het verhaal, een grote, redelijk onvoorspelbare impuls. Zet af en toe een heel nieuw hoofdstuk in als de kinderen hun betrokkenheid verliezen en het spelverhaal afgelopen lijkt te zijn. 

Voorbeeld: Als de betrokkenheid van de kinderen bij het spel sterk afneemt, kun je als professional ook eens een ‘grote’ impuls toevoegen die het verhaal een nieuwe kant op stuurt. Zo zou Tessa bijvoorbeeld kunnen terugkomen om haar poes op te halen, de volgende dag, om te ontdekken dat poes is weggelopen, of de poes heeft een andere patiënt – de goudvis – opgegeten.

Met zo’n nieuwe wending kan het weer spannend en uitdagend worden en wordt de fantasie van de kinderen geprikkeld. Soms kan zo’n groter, dramatischer inbreng in het spel zinvol zijn, maar neem als professional wel meteen ook weer gas terug om de kinderen voldoende ruimte te geven voor hun eigen initiatieven.

Aandachtspunten:

  • Het helpt om van te voren al na te denken over mogelijke handelingen, rollen en verhaallijnen die zouden kunnen ontstaan. Pas daarbij wel op dat je niet te strak aan een eigen plan vasthoudt, als het spel een andere kant op gaat. Het verhaal en de beleving van de kinderen staan voorop.
  • Sluit aan bij het verhaal en de kennis/ervaringen van de kinderen. Kinderen hebben kapstokjes nodig om nieuwe ervaringen aan te koppelen. Als ze zich vertrouwd voelen met bepaalde spelsituaties ontstaat er ruimte voor de professional om iets nieuws in te brengen.
  • Verbreed of verdiep het spel alleen als dat nodig is, wees niet te dominant. Voeg alleen iets toe als het spel echt lijkt stil te vallen, of een vervolgstap nodig heeft in het belang van de spel- en/of taalontwikkeling. Blijf steeds goed kijken naar de kinderen en ga mee met wat zij doen.

Bij het videofragment

Context

De poes is ziek. Tessa (kleuterleerkracht) gaat met hem naar de dierenarts. De dokter weet niet zo goed wat er aan de hand is met de poes. Tessa stelt, in haar rol als ‘baasje van de poes’ voor dat zij misschien even haar collega-dierenarts erbij kan roepen. Ze verbreed daarmee het spel naar een gesprek tussen de twee dierenartsen, en de patiënt. De twee dierenartsen zijn wel nog wat verlegen nu er opeens een camera op hen gericht is, zonder de camera zijn ze meestal wat spraakzamer.

Kijkvragen

Tessa heeft het spel verbreed door de dierenarts te vragen haar collega te raadplegen, zodat ze samen kunnen nadenken over een oplossing voor de zieke poes.

  • Wat doet Tessa vervolgens om het spel verder te verdiepen?
  • Welke denktaal roept dat op bij de kinderen? 

Samen doordenken

  • Welke nieuwe wending zou jijzelf nog aan het verhaal geven? Wat hoop/verwacht je dat het bij de kinderen zou oproepen aan denktaal en handelingen?

Ervaring van professional

“Ik zie mezelf worstelen! Het is heel belangrijk om aan dit soort interactievaardigheden zelf steeds bewust aandacht te blijven besteden, dan slijt het pas in en kun je ze gemakkelijk en vanzelfsprekend gebruiken in je dagelijks handelen in de groep.”

 

Kernelement 10: Gebruik een probleem of creëer een probleem.

Een probleem daagt kinderen uit tot complexe denktaal . Als je de kinderen met zo’n probleem verrast, even van hun stuk brengt (cognitief conflict), reageren ze ‘vanzelfsprekend’ en spontaan met communicatie. Juist de problemen die de kinderen zelf inbrengen kun je goed benutten om daarop door te gaan.

  • Wees alert op problemen die een kind zelf signaleert: ga erop in vanuit je rol. Wees niet te snel behulpzaam en sluit aan bij de kinderen. Juf Nienke speelt met Haifa en Denise in de huishoek, ze eten een ijsje Haifa zegt: “hij gaat gaat hij gaat smelten”. Juf Nienke: “oh neeeee, ja ik zie het” (gebaart dat het ijs over haar handen loopt. Haifa: “nou moet je, moet je zo/snel” (doet voor hoe ze moet likken) Nienke: “heel snel. Oh, mijn hand wordt vies. En plakkerig. Oeoeoe!”
  • Wees niet te behulpzaam. Denk niet voor de kinderen. Laat hen zelf denken en wees nieuwsgierig naar hoe kinderen problemen oplossen. Accepteer oplossingen en ideeën van de kinderen, ook al vind je het zelf geen logische oplossing. Laat de kinderen zelf ervaren of en hoe hun oplossing werkt. Voorbeeld: Juf Nienke krijgt plakkerige handen van het smeltende speelgoedijsje. Haifa gaat de tandarts bellen om dat op te lossen en juf gaat daarin mee.
  • Benoem vanuit je rol een probleem dat in het spel is ontstaan.
  • Breng vanuit jouw rol een probleem in dat past in jullie gezamenlijke verhaal.
  • Kinderen die nog geen taal gebruiken en  vooral aan het handelen zijn, kun je toch uitdagen door een probleem op te pakken dat zich bij dat handelen voordoet, of bij die handelingen een probleem in te brengen. In het filmpje heeft pm-er Nienke een probleem, ze heeft plakkerige handen. Ze vindt het vies. Ze nodigt de kinderen uit om mee te denken over een oplossing. want het plakt zo. Denise reageert non-verbaal. Ze pakt een afwasborstel en borstelt daarmee de plakkerige handen van Nienke schoon. Nienke reageert, ze kijkt blij en zegt ‘hé, dit is fijn, wat heb je nou gedaan?’ Denise pakt de afwasborstel weer en houdt deze omhoog, ‘die’ zegt ze daarbij. ‘Wat is dat?’, vraagt Nienke. Het juiste woord weet Denise nog niet maar met een borstelbeweging laat ze zien wat je met de afwasborstel kan doen. Nienke voegt taal toe: ‘Daar kan je mee borstelen.’ Denise begint de handen van Nienke weer schoon te borstelen en Nienke verwoordt haar handeling: ‘En zo heeft ze mijn handen schoon geborsteld’
  • Als kinderen dan vooral non-verbaal reageren, verwoord je die reacties. Valkuil: als je zelf te snel verwoordt wat een kind doet, ontneem je het kind de motivatie om zelf te praten.
  • Breng pas een nieuw probleem in als de kinderen het voorgaande hebben afgerond, als hun eigen subdoel in het spel bereikt is. Als de handen van Nienke schoon zijn kan ze een nieuw probleem inbrengen.
  • Stel je wel of niet waarom-vragen? Binnen de doen-alsof wereld werkt een waarom-vraag soms goed om denktaal uit te lokken, maar alleen wanneer je vanuit je rol niet begrijpt wat er gebeurt en niet om kinderen te controleren. Wees wel voorzichtig met een waarom-vraag. Kinderen kunnen het gevoel krijgen dat ze zich moeten verdedigen voor wat ze zeggen of doen, waardoor ze uit het spel raken. Je kunt in plaats van de waarom-vraag non-verbale middelen inzetten: nadenkend of verbaasd kijken. Kinderen kunnen dan uit zichzelf toelichting geven.

Aandachtspunt:

  • Blijf een probleem niet eindeloos uitmelken. Kinderen verliezen dan hun belangstelling of geven op.

Bron:

  • Damhuis, R. & E. van der Zalm (2014). Maak een probleem- Zone- Jaargang 13, nr. 4.

Bij het videofragment

Context

Pedagogisch medewerker Nienke is in de huishoek op bezoek bij Denise en Haifa. Ondertussen blijft het derde meisje, dat voor het eerst op de PSZ is lekker bij Nienke in de buurt en observeert wat er allemaal gebeurd.
Nienke en de kinderen eten een ijsje. Haifa ‘ hij gaat smelten’. Nienke ziet een kans, ze verbindt het probleem van het smeltende ijsje aan het spel. Oh jee, ze krijgt plakkerige handen en vraagt om een oplossing. Haifa vindt dat de tandarts gebeld moet worden. Nienke accepteert deze op het eerste gezicht minder voor de hand liggende oplossing. Ze weet dat Haifa pas naar de tandarts is geweest. Het ging het niet goed met haar gebit en de tandarts heeft twee voortanden moeten trekken. Nienke begrijpt dat Haifa deze ervaring wil delen en een plek in het spel wil geven. Denise kijkt ondertussen rond in de huishoek en pakt de afwasborstel om het probleem van de plakkerige handen op te lossen. Nienke richt zich met volle aandacht op het spel van de twee meisjes. Ondertussen ziet ze dat het derde meisje drukke bewegingen met de pan maakt. Daar gaat ze een andere keer mee verder

Kijkvragen

  • Wie brengt welke problemen in? 
  • In het spel van het ijsje communiceert Nienke verbaal en nonverbaal met de kinderen. Kijk eens hoe ze dat doet bij het herkennen / oproepen van problemen en hoe ze de oplossingen van de kinderen verbindt aan het spel.
  • Zie je wat voor invloed Nienkes acties hebben op spel en taal van de kinderen?  

Samen doordenken

  • Problemen zijn kansen. Denk eens aan spel dat de kinderen graag spelen in jouw huishoek. Welke problemen kan je gebruiken of creëren om het spel nog interessanter te maken? Je kunt ook gebruik maken van de inrichting. Bekijk deze eens kritisch. Welke materialen kunnen helpen bij het creëren van een problemen of welke materialen kan je toevoegen om een probleem op te roepen of te creëren?

Ervaring van professional

"Ik weet nu dat ik niet ingewikkeld hoef te denken. Een klein probleem zoals een smeltend ijsje kan het spel al zoveel interessanter maken. Problemen liggen voor het oprapen, je moet ze alleen zien."

Specialist in ontwikkelingsgericht onderwijsHogeschool lerarenopleidingInstituut voor onderzoek van opvoeding en onderwijsHogeschool lerarenopleiding